Regels

Schijnzelfstandigheid en Wet DBA: wat betekent dit voor zzp’ers en opdrachtgevers?

Schijnzelfstandigheid is een belangrijk onderwerp voor zzp’ers, opdrachtgevers en intermediairs. Steeds meer organisaties willen voorkomen dat een samenwerking met een zelfstandige achteraf wordt gezien als een dienstverband. Tegelijkertijd willen veel zzp’ers hun vrijheid behouden en kunnen aantonen dat zij daadwerkelijk als ondernemer werken.

De Wet DBA speelt hierbij een centrale rol. Deze wet bepaalt niet of iemand ondernemer is, maar gaat over de beoordeling van de arbeidsrelatie tussen opdrachtgever en opdrachtnemer. De vraag is dus niet alleen of iemand staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, maar vooral hoe de samenwerking in de praktijk wordt uitgevoerd.

Wat is schijnzelfstandigheid?

Schijnzelfstandigheid betekent dat iemand formeel als zelfstandige werkt, maar dat de feitelijke samenwerking lijkt op loondienst. Op papier is er dan sprake van een zzp opdracht, terwijl de werkrelatie in de praktijk kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst.

Dat kan bijvoorbeeld spelen wanneer een zzp’er:

  • werkt onder direct gezag van de opdrachtgever
  • vaste werktijden opgelegd krijgt
  • nauwelijks vrijheid heeft in de uitvoering van het werk
  • langdurig voor één opdrachtgever werkt
  • geen ondernemersrisico loopt
  • hetzelfde werk doet als werknemers in loondienst
  • niet zelfstandig tarieven, planning of werkwijze kan bepalen

De Belastingdienst omschrijft schijnzelfstandigheid als een situatie waarin iemand zich presenteert als zelfstandige, terwijl er volgens het arbeidsrecht sprake kan zijn van een dienstverband.

Wat is de Wet DBA?

De Wet DBA staat voor Wet Deregulering Beoordeling Arbeidsrelaties. Deze wet verving in 2016 de vroegere VAR verklaring. Het doel van de Wet DBA is om duidelijker te maken wanneer een zzp’er daadwerkelijk zelfstandig werkt en wanneer sprake kan zijn van een dienstverband.

Onder de Wet DBA zijn opdrachtgever en zzp’er samen verantwoordelijk voor de juiste beoordeling van hun arbeidsrelatie. Het gaat dus niet alleen om het contract, maar vooral om de feitelijke uitvoering van de werkzaamheden.

Een overeenkomst kan op papier goed zijn opgesteld, maar als de praktijk anders is, kijkt de Belastingdienst naar de werkelijkheid. De dagelijkse werksituatie is daarom doorslaggevend.

Waarom is de Wet DBA belangrijk?

De Wet DBA is belangrijk omdat een verkeerde kwalificatie van de arbeidsrelatie financiële en juridische gevolgen kan hebben. Als achteraf blijkt dat een zzp’er eigenlijk als werknemer had moeten worden behandeld, kan dit vooral voor de opdrachtgever risico’s opleveren.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • naheffingen loonheffingen
  • premies werknemersverzekeringen
  • pensioenverplichtingen
  • correcties in de administratie
  • mogelijke boetes bij verwijtbaar handelen
  • reputatieschade
  • terughoudendheid bij toekomstige inhuur

Handhaving op schijnzelfstandigheid

Vanaf 1 januari 2025 is de Belastingdienst weer actiever gaan handhaven op arbeidsrelaties. Dat betekent dat opdrachtgevers en zzp’ers niet meer volledig kunnen vertrouwen op de periode waarin nauwelijks werd opgetreden tegen schijnzelfstandigheid.

Sinds 1 januari 2025 kunnen bij vastgestelde schijnzelfstandigheid direct correctieverplichtingen en naheffingsaanslagen loonheffingen worden opgelegd. Voor 2026 geldt dat de Belastingdienst wel kan handhaven en in bepaalde situaties vergrijpboetes kan opleggen, terwijl verzuimboetes nog niet worden opgelegd.

Dat maakt het belangrijk om vooraf goed na te denken over de inrichting van de samenwerking.

Wanneer is iemand echt zelfstandig?

Er bestaat geen simpele checklist waarmee altijd direct kan worden vastgesteld of iemand zelfstandig is. De beoordeling hangt af van alle feiten en omstandigheden samen.

Wel zijn er belangrijke signalen die wijzen op zelfstandig ondernemerschap.

Een zzp’er staat sterker wanneer hij of zij:

  • meerdere opdrachtgevers heeft
  • zelfstandig bepaalt hoe het werk wordt uitgevoerd
  • eigen tarieven hanteert
  • ondernemersrisico loopt
  • investeert in de onderneming
  • actief nieuwe klanten werft
  • eigen materialen of middelen gebruikt
  • een eigen website of bedrijfsprofiel heeft
  • zelf verantwoordelijk is voor planning en uitvoering
  • werkt op basis van duidelijke opdrachtvoorwaarden

Hoe meer kenmerken van zelfstandig ondernemerschap aanwezig zijn, hoe beter de samenwerking verdedigbaar is.

Wanneer ontstaat risico op schijnzelfstandigheid?

Risico ontstaat vooral wanneer de samenwerking te veel lijkt op loondienst. Dat gebeurt niet alleen door wat in het contract staat, maar vooral door hoe partijen dagelijks samenwerken.

Voorbeelden van risicosituaties zijn:

  • de opdrachtgever bepaalt precies hoe het werk moet worden gedaan
  • de zzp’er draait mee in reguliere roosters
  • de zzp’er gebruikt uitsluitend materialen van de opdrachtgever
  • de zzp’er werkt jarenlang vrijwel alleen voor één opdrachtgever
  • er is geen ruimte om werk te weigeren
  • de zzp’er wordt aangestuurd als werknemer
  • de zzp’er heeft geen eigen ondernemersprofiel
  • het tarief is laag en biedt weinig ruimte voor ondernemersrisico

In zulke situaties kan de Belastingdienst oordelen dat de arbeidsrelatie meer lijkt op een arbeidsovereenkomst dan op een zelfstandige opdracht.

De rol van gezag

Een belangrijk criterium bij de beoordeling is gezag. Bij loondienst heeft een werkgever doorgaans het recht om instructies te geven over hoe, wanneer en waar het werk moet worden uitgevoerd.

Bij een zelfstandige opdracht hoort juist meer vrijheid. Een opdrachtgever mag natuurlijk afspraken maken over het gewenste resultaat, kwaliteit, veiligheid en planning. Maar wanneer de opdrachtgever voortdurend bepaalt hoe de zzp’er het werk moet doen, ontstaat sneller risico.

Het verschil zit dus vaak tussen:

  • sturen op resultaat
  • of sturen op gedrag en uitvoering

Sturen op resultaat past beter bij zelfstandig ondernemerschap. Sturen zoals bij personeel kan juist wijzen op een dienstverband.

Inbedding in de organisatie

Ook de mate waarin een zzp’er is ingebed in de organisatie van de opdrachtgever speelt een rol. Wanneer een zelfstandige hetzelfde werk doet als werknemers, op dezelfde manier wordt aangestuurd en volledig meedraait in de interne organisatie, kan dat risico opleveren.

Voorbeelden van inbedding zijn:

  • deelnemen aan vaste personeelsroosters
  • verplicht interne werkprocedures volgen zonder eigen professionele ruimte
  • structureel onderdeel zijn van een team
  • werken onder dezelfde leidinggevende als werknemers
  • gebruikmaken van dezelfde interne beoordelingssystemen
  • geen onderscheid tussen zzp’er en werknemer in de dagelijkse praktijk

Inbedding betekent niet automatisch dat sprake is van schijnzelfstandigheid, maar het is wel een belangrijk aandachtspunt.

Ondernemersrisico en zelfstandigheid

Een echte ondernemer loopt ondernemersrisico. Dat betekent dat de zzp’er niet alleen arbeid levert, maar ook zelf verantwoordelijkheid draagt voor inkomsten, kosten, risico’s en continuïteit.

Voorbeelden van ondernemersrisico zijn:

  • geen inkomen bij ziekte of geen opdracht
  • aansprakelijkheid voor fouten of schade
  • investeren in gereedschap, opleiding of marketing
  • zelf klanten moeten vinden
  • risico op onbetaalde facturen
  • zelf verzekeringen en pensioen regelen
  • geen doorbetaling tijdens vakantie

Wanneer een zzp’er vrijwel geen risico loopt en volledig afhankelijk is van één opdrachtgever, kan dat de zelfstandige positie verzwakken.

Meerdere opdrachtgevers

Meerdere opdrachtgevers zijn een sterk signaal van zelfstandig ondernemerschap. Een zzp’er die actief werkt voor verschillende klanten, laat zien dat hij of zij niet economisch afhankelijk is van één partij.

Toch betekent één opdrachtgever niet automatisch dat sprake is van schijnzelfstandigheid. Bij tijdelijke projecten, specialistische opdrachten of startende ondernemers kan dat verklaarbaar zijn. Wel is het verstandig om actief te werken aan spreiding van opdrachtgevers en dit goed te documenteren.

Voor opdrachtgevers is het belangrijk om te beoordelen of de zzp’er ook buiten de organisatie als ondernemer actief is.

Het contract is belangrijk, maar niet voldoende

Een goede overeenkomst van opdracht is belangrijk. Daarin kunnen afspraken worden vastgelegd over zelfstandigheid, resultaat, aansprakelijkheid, tarief, facturatie en duur van de opdracht.

Maar een contract alleen is niet genoeg. Als de praktijk anders is dan het contract, kijkt de Belastingdienst naar de feitelijke situatie.

Een goede overeenkomst moet daarom aansluiten bij de dagelijkse uitvoering. Zet dus niet alleen op papier dat iemand zelfstandig werkt, maar zorg dat de samenwerking ook daadwerkelijk zelfstandig wordt ingericht.

Wat kunnen zzp’ers zelf doen?

Zzp’ers kunnen veel doen om hun zelfstandige positie te versterken.

Praktische maatregelen zijn:

  • werk voor meerdere opdrachtgevers
  • houd een goede administratie bij
  • registreer acquisitieactiviteiten
  • gebruik duidelijke overeenkomsten
  • bepaal zoveel mogelijk zelf de werkwijze
  • hanteer een professioneel tarief
  • investeer in opleiding, website of bedrijfsmiddelen
  • regel passende verzekeringen
  • communiceer als ondernemer, niet als werknemer
  • voorkom langdurige afhankelijkheid van één opdrachtgever

Het gaat erom dat je kunt aantonen dat je als zelfstandige ondernemer opereert.

Wat kunnen opdrachtgevers doen?

Ook opdrachtgevers hebben een verantwoordelijkheid. Zij moeten vooraf en tijdens de samenwerking beoordelen of de arbeidsrelatie passend is.

Opdrachtgevers kunnen onder andere:

  • vooraf een risicoanalyse uitvoeren
  • werken met duidelijke opdrachtomschrijvingen
  • sturen op resultaat in plaats van op gezag
  • voorkomen dat zzp’ers volledig meedraaien als personeel
  • de duur en aard van opdrachten kritisch beoordelen
  • documenteren waarom gekozen is voor een zelfstandige
  • periodiek toetsen of de praktijk nog overeenkomt met de afspraken
  • samenwerken met zzp’ers die hun ondernemerschap kunnen onderbouwen

Vooral organisaties die veel zelfstandigen inhuren, doen er verstandig aan om een vast beoordelingsproces in te richten.

Veel voorkomende misverstanden

Rondom de Wet DBA bestaan veel misverstanden. Een aantal daarvan komt regelmatig terug.

“Een KvK inschrijving is genoeg.”
Dat klopt niet. Een KvK inschrijving is belangrijk, maar zegt niet alles over de arbeidsrelatie.

“Een modelovereenkomst voorkomt alle risico’s.”
Ook dat klopt niet. De feitelijke uitvoering blijft doorslaggevend.

“Als de zzp’er zelf wil freelancen, is er geen probleem.”
De wens van partijen is relevant, maar niet beslissend. De praktijk bepaalt uiteindelijk hoe de relatie wordt beoordeeld.

“Alle zzp’ers met één opdrachtgever zijn schijnzelfstandig.”
Dat is te kort door de bocht. Eén opdrachtgever kan risico geven, maar de volledige situatie moet worden beoordeeld.

“Alleen de zzp’er loopt risico.”
Ook dit is onjuist. Juist opdrachtgevers kunnen te maken krijgen met naheffingen en correcties.

VBAR en Zelfstandigenwet

Naast de Wet DBA is er de afgelopen jaren veel gesproken over nieuwe wetgeving, zoals de VBAR en de Zelfstandigenwet. De overheid wil meer duidelijkheid creëren over de grens tussen zelfstandig ondernemerschap en werknemerschap.

In 2026 heeft het kabinet aangegeven het verduidelijkingsdeel van de VBAR te schrappen en in plaats daarvan te werken aan een Zelfstandigenwet. Het rechtsvermoeden voor laagbetaalde zelfstandigen blijft daarbij een belangrijk onderdeel van de kabinetskoers.

Dat betekent dat de discussie over zelfstandigheid voorlopig actueel blijft. Zzp’ers en opdrachtgevers doen er daarom verstandig aan om niet af te wachten, maar hun samenwerking nu al zorgvuldig in te richten.

Praktische checklist voor zzp’ers en opdrachtgevers

Een samenwerking met een zzp’er is sterker wanneer de volgende punten goed zijn geregeld:

  • er is een duidelijke opdrachtomschrijving
  • de zzp’er bepaalt zoveel mogelijk zelf de uitvoering
  • er wordt gestuurd op resultaat
  • het tarief past bij zelfstandig ondernemerschap
  • de zzp’er loopt ondernemersrisico
  • er is geen structurele gezagsverhouding
  • de opdracht heeft een zakelijke onderbouwing
  • de zzp’er heeft meerdere klanten of werft actief nieuwe opdrachten
  • afspraken worden schriftelijk vastgelegd
  • de praktijk komt overeen met het contract

Deze punten geven geen absolute garantie, maar helpen wel om risico’s beter beheersbaar te maken.

Zekerheid begint met inzicht

De Wet DBA en schijnzelfstandigheid zorgen bij veel zzp’ers en opdrachtgevers voor onzekerheid. Toch betekent dit niet dat samenwerken met zelfstandigen onmogelijk is. Het vraagt vooral om een zorgvuldige inrichting van de arbeidsrelatie.

Wie vooraf goed kijkt naar zelfstandigheid, gezag, ondernemersrisico, opdrachtgeverschap en de feitelijke uitvoering, kan veel problemen voorkomen.

Voor zzp’ers betekent dit dat zij hun ondernemerschap actief moeten onderbouwen. Voor opdrachtgevers betekent dit dat zij niet alleen moeten kijken naar het contract, maar ook naar de dagelijkse praktijk.

Wie extra inzicht wil krijgen in de zelfstandige positie van een zzp’er, kan gebruikmaken van een onafhankelijke screening zoals het ZZP OK! Keurmerk. Daarmee wordt zichtbaar in hoeverre een zzp’er kenmerken vertoont van zelfstandig ondernemerschap en waar mogelijke aandachtspunten liggen.

Conclusie

Schijnzelfstandigheid draait om de vraag of iemand in de praktijk echt zelfstandig werkt of feitelijk functioneert als werknemer. De Wet DBA verplicht zzp’ers en opdrachtgevers om samen kritisch te kijken naar hun arbeidsrelatie.

Een professionele samenwerking met een zzp’er blijft goed mogelijk, zolang de afspraken en de praktijk passen bij zelfstandig ondernemerschap. Duidelijke contracten, ondernemersrisico, vrijheid in uitvoering en een zakelijke inrichting van de opdracht zijn daarbij essentieel.

Wie dit goed regelt, verkleint de kans op discussies achteraf en bouwt aan een sterkere, professionelere samenwerking tussen zelfstandigen en opdrachtgevers.